tegel-algemeen-1.png

Instructie

1-3-2016

Instructie zorgt ervoor dat kleuters weten wat het doel is van hun activiteit, wat ze gaan leren, gaan doen en hoe ze de activiteit moeten aanpakken.

Afgeleide begrip(pen)

Responsieve instructie: zie onder responsiviteit.

Directe instructie: De leerkracht past dit model bij kleuters aan. Instructie mag je ook zien als een korte aansturing, verlengde instructie als begeleid meespelen.

Zelfinstructie: Innerlijke zelfinstructie is nodig om taakgericht te werken.


Voorbeeld(en)

De leerkracht hanteert het volgende didactische lesmodel:
  • een introductie om de aandacht te trekken
  • een benoeming van de doelen
  • voordoen
  • samen doen
  • de kleuters doen het zelf
  • een evaluatie waarbij ook een terugkoppeling is naar de doelen van je activiteit
Voordoen en samendoen kan bestaan uit de volgende gedragsaspecten:
  • De leerkracht vat regelmatig de belangrijke leerpunten samen.
  • De leerkracht geeft concrete voorbeelden en materialen.
  • De leerkracht denkt hardop (modelen).
  • De leerkracht stelt verschillende soorten vragen.
  • De leerkracht stelt denkvragen en vervolgvragen.
  • De leerkracht laat stiltes vallen zodat de leerlingen de tijd krijgen om na te denken.
  • De leerkracht begeleidt de kinderen bij het maken van de opdracht
  • De leerkracht laat kinderen zelf oefenen.
  • De leerkracht bevordert leren van elkaar (oplossingsproces).
  • De leerkracht zorgt dat samenwerkend leren werkvormen worden gebruikt.
  • De leerkracht zorgt dat de uit te voeren opdrachten aansluiten bij het bereiken van het lesdoel.
  • De leerkracht gaat na of de kinderen de activiteit begrijpen en /of beheersen.
  • De leerkracht helpt het kind om te komen tot zelfinstructie bij het verwoorden van de handeling als opstap tot innerlijk spreken wat nodig is om tot zelfsturing te komen.

Literatuur

  • Kamp, A, van de. (2013). Kleutersprongen. Rotterdam: CED groep.
  • Galema-Koolen H. (2008). Hoe kleuters leren. De wereld van het jonge kind.