tegel-algemeen-1.png

Executieve functies

1-3-2016
Executieve functies zijn hogere cognitieve processen die nodig zijn om activiteiten te plannen en te sturen.
Alle executieve functies hebben een controlerende en aansturende functie.  Ze kunnen worden gezien als de 'dirigent' van de cognitieve vaardigheden. Executieve functies helpen je bij alle soorten taken. Executieve functies vertellen niet hoe intelligent, charmant of verbaal vaardig iemand is. Deze functies bevinden zich in de prefrontale cortex van de hersenen.   
 
Executieve functies zijn een verzameling van processen die te maken hebben met het beheren van jezelf en de bronnen die nodig zijn om een doel te bereiken.
Ze bestaan uit:

  1. Reactie (of respons)-inhibitie: het vermogen om na te denken voor je iets doet.
  2. Werkgeheugen: het vermogen om informatie in het geheugen vast te houden tijdens de uitvoering van complexe taken.
  3. Zelfregulatie van affect / emotie-regulatie:  het vermogen om emoties te reguleren om doelen te realiseren, taken te voltooien of gedrag te controleren. 
  4. Volgehouden aandacht: het vermogen om de aandacht erbij te houden, ondanks afleidingen, vermoeidheid of verveling. 
  5. Taakinitiatie: het vermogen om zonder dralen met projecten te beginnen, op tijd, op efficiënte wijze.
  6. Planning / prioritering: de vaardigheid om een plan te bedenken om een doel te bereiken of een taak te voltooien. Hierbij moet je ook in staat zijn beslissingen te nemen over wat belangrijk en wat niet belangrijk is. 
  7. Organisatie: het vermogen om dingen volgens een bepaald systeem te arrangeren of te ordenen. 
  8. Doelgericht doorzettingsvermogen: het vermogen om een doel te formuleren, dat te realiseren en daarbij niet afgeleid of afgeschrikt te worden door andere behoeften of tegengestelde belangen.
  9. Flexibiliteit: de vaardigheid om plannen te herzien als zich belemmeringen of tegenslagen voordoen, zich nieuwe informatie aandient of er fouten gemaakt worden; het gaat daarbij om aanpassing aan veranderende omstandigheden.
  10. Metacognitie: het vermogen om een stapje terug te doen om jezelf en de situatie te overzien, om te bekijken hoe je een probleem aanpakt; het gaat daarbij om zelfmonitoring en zelfevaluatie.

Afgeleide begrip(pen)

Zelfsturing:  Zelfsturing heeft betrekking op eigen kennis en vaardigheden. ieder mens geeft richting aan de eigen ontwikkeling in wisselwerking met de omgeving. De basis voor zelfsturing is zelfvertrouwen, zelfkennis en zelfrespect. Een belangrijke voorwaarde voor zelfsturing is de beheersing van  eigen emoties beheerst, en  de beschikking over zelfcontrole.

Zelfsturing en schoolsucces
Uit onderzoek [3] blijkt dat goed ontwikkelde executieve  functies en zelfsturing een voorwaarde zijn voor succes op zowel cognitief als sociaal-emotioneel gebied. Kijken we naar zelfsturing en executieve functies vanuit een neurobiologisch perspectief dan hebben we het over systemen in de hersenen met uitvoerende taken, waaronder het werkgeheugen [2]. Dit werkgeheugen zorgt voor de opslag van verbale en visueel-ruimtelijke informatie en de bewerkingen die deze informatie ondergaat. Deze bewerkingen noemt men de executieve functies.  

Autonomie: Dit is het hoogste en meest abstracte niveau van zelfstandigheid. Op dit niveau bepaalt iedere leerling uiteindelijk hoe hij zijn leven richting wil geven en welke beslissingen hij daarbij neemt. Het betekent dat de autonome leerling rekening houdt met zijn omgeving (vrijheid in gebondenheid). We starten in groep 1 vanuit zelfredzaamheid. Daarna leren onze leerlingen omgaan met uitgestelde aandacht. Een leerkracht is niet altijd beschikbaar. Vervolgens investeren wij in zelfstandig verwerken, dan volgt de fase van zelfstandig werken, zelfstandigheid en tenslotte streven wij naar autonomie (groep 8).

 

Voorbeeld(en)

- De leerkracht laat de kinderen vooraf het verloop van de activiteit verwoorden (plannen) en laat ze naderhand vertellen wat ze gedaan
  hebben en hoe dat ging (reflecteren).
- De leerkracht laat kinderen gevoelens en meningen verwoorden bij het werken in groepjes tijdens het samenwerken [2]
- Het rollenspel is een ideale vorm om te werken aan zelfsturing. Doordat spelsituaties aansluiten bij de belevingswereld van kinderen,
  ontwikkelen ze zich hierin het beste. In het geavanceerde rollenspel maken kinderen vooraf afspraken over wie welke rol speelt en hoe het
  scenario gaat verlopen. De rol van de leider/leerkracht is ondersteunend en soms sturend van aard, voor en tijdens het spel (sturing van
  buitenaf gaat vooraf aan zelfsturing). De leider/leerkracht zorgt voor een stapsgewijze begeleiding wat bij de kinderen leidt tot resultaten op
  een hoger niveau (vanuit de zone van naaste ontwikkeling van Vygotsky), langere aandachtsspanne, grotere creativiteit en het leggen van
  complexere verbanden [5].

Voorbeelden van het executief functioneren bij jonge kinderen:
  1. Organisatie:
    (Organisatie: het vermogen om dingen volgens een bepaald systeem te arrangeren of te ordenen)
    Het vermorgen om systemen te ontwikkelen en te onderhouden om op de hoogte te blijven van informatie of benodigde materialen.
    Bijvoorbeeld: een jong kind kan, na aansporing, speelgoed op de juiste plek terug leggen.
  2. Metacognitie:
    (Het vermogen om een stapje terug te doen om jezelf en de situatie te overzien, om te bekijken hoe je een probleem aanpakt; het gaat daarbij om zelfmonitoring en zelfevaluatie)
    Het gaat daarbij om het stellen van de vragen: Hoe breng ik het ervan af? Of Hoe heb ik het gedaan?
    Bijvoorbeeld: een jong kind kan zijn gedrag veranderen als reactie op de feedback van een volwassene.
  3. Volgehouden aandacht:
    (het vermogen om de aandacht er bij te houden, ondankts afleidingen, vermoeidheid of verveling)
    De vaardigheid om aandacht te blijven schenken aan een situatie of taak, ondanks afleiding, vermoeidheid of verveling.
    Bijvoorbeeld:voor een jong kind is een karweitje van vijf minuten voltooien, onder enig toezicht.
  4. Taakinitiatie:
    (het vermogen om zonder dralen met projecten te beginnen, op tijd, op efficiente wijze)
    Bijvoorbeeld: een jong kind kan meteen nadat het aanwijzingen heef gekregen met een karweitje of opdracht beginnen.
  5. Respons-inhibitie: 
    (Reactie (of respons)-inhibitie: het vermogen om na te denken voor je iets doet)
    Het vermogen het eigen gedrag, handelingen en gedachten op tijd te stoppen. Het tegenovergestelde van respons-inhibitie is impulsiviteit.
    Bijvoorbeeld: Een kind kan al een korte tijd wachten zonder de orde te verstoren.
    • Afspraken van het spel begrijpen en zich er ook aanhouden;
    • Niet gelijk beginnen (actie) maar eerst nadenken(bijvoorbeeld nadenken over de reactie op de actie);
    • Afmaken waar je aan begonnen bent;
    • Wachten op de beurt;
    • Niet reageren om anderen (ook niet acties van anderen);
  6. Werkgeheugen:
    (Werkgeheugen: het vermogen om informatie in het geheugen vast te houden tijdens de uitvoering van complexe taken.)
    De vaardigheid om informatie in het geheugen te houden om een taak te voltooien. Het vermogen dus dat we hebben om informatie gedurende korte periodes vast te houden en te bewerken.
    Bijvoorbeeld: Een jong kind kan aanwijzingen van een, twee of meer stappen onthouden en opvolgen.
  7. Zelfregulatie van affect / emotie-regulatie: 
    (Zelfregulatie van affect / emotie-regulatie:  het vermogen om emoties te reguleren om doelen te realiseren, taken te voltooien of gedrag te controleren.)
    Het vermogen emotionele reacties te reguleren met rationele gedachten.
    Bijvoorbeeld: Kleuters (of peuters) kunnen speelgoed delen.
    • Een plan maken, uitwerken en er ook aanhouden;
  8. Planning / prioritering:
    (Planning / prioritering: de vaardigheid om een plan te bedenken om een doel te bereiken of een taak te voltooien. Hierbij moet je ook in staat zijn beslissingen te nemen over wat belangrijk en wat niet belangrijk is. )
    Het vermogen om datgene te beheren wat nodig is voor huidige en toekomstige taken.
    • Een plan voor vandaag maken, waarin het belangrijkste als eerste wordt uitgevoerd.
  9. Flexibiliteit:
    (Flexibiliteit: de vaardigheid om plannen te herzien als zich belemmeringen of tegenslagen voordoen, zich nieuwe informatie aandient of er fouten gemaakt worden; het gaat daarbij om aanpassing aan veranderende omstandigheden.)
    Het vermogen makkelijk van de ene situatie naar de andere te gaan en flexibel te denken om adequaat op de situatie te reageren.
    • ….
  10. Metacognitie:
    (Metacognitie: het vermogen om een stapje terug te doen om jezelf en de situatie te overzien, om te bekijken hoe je een probleem aanpakt; het gaat daarbij om zelfmonitoring en zelfevaluatie.)
    • ….

Literatuur

  • Boom, W. de, Corstanje, P., Dijkstra, K., Dulk, H. den, Frouws, M., Hazes, R., Kamp, A. van der, Klabbers, W., Meijer, W., Otter, M. den, Otterdijk, R. van, Pauw, R. de, Peters, L. & Wilt, M. de  (2005) De leraar als coach. Apeldoorn/Antwerpen: Garant.
  • Leseman, P. (2010). Executieve functies als basis voor het leervermogen. Sardes speciale Editie, 9 (16-20). Utrecht: Sardes.
  • Diamond, A., Barnett, W. S., Thomas, J., & Munro, S. (2007). Preschool program improves cognitive control. Science. November 30, 2007: 1387-1388.
  • Bolt, L. van der & Aarssen, J. (2010). Inleiding. Sardes Speciale Editie, 9 (7-8). Utrecht:     Sardes.
    Aarssen, J. & Bolt, L. van der (2010). Zelfsturing van jonge kinderen stimuleren. Sardes Speciale Editie, 9 (9-15). Utrecht: Sardes.
  • Timmerman, K (2011).Werkhouding bij kleuters. Leuven: Lannoo Campus
  • Moraine, P (2013). Aandacht, graag! Leerlingen ondersteunen in het beheersen van alledaagse executieve functies. Amsterdam: SWP
  • Gathercole, S.E. & Alloway, T. (2013) De invloed van het werkgeheugen op het leren. Amsterdam: SWP
    Cooper-Kahn, J & Dietzel, L (2011).Vergeten, kwijt en afgeleid. Opvoedwijzer om executieve functies bij kinderen te versterken. Amsterdam: Hogrefe
  • Smidts, D. & Huizinga, M. (2011) Gedrag in uitvoering. Over executieve functies bij kinderen en pubers.Amsterdam: Uitgeverij Nieuwezijds
  • Dawson, P. & Guare, R. (2012) Slim maar … Help kinderen hun talenten benutten door hun executieve functies te versterken. Amsterdam: Hogrefe.